Zet hersens van pubers op 'aan'

"Je bent zo saai om naar te luisteren." Is hier een puber aan het woord die niet meer naar het gepreek van z’n vader wil luisteren? Nee, het is de constatering van Martine Delfos, expert op het gebied van communiceren met jongeren. Ze daagt iedereen die met pubers omgaat uit om een week lang bij te houden hoe vaak je iets zegt wat de puber nog niet weet. "We zijn zo goed in het vertellen wat goed is. En dat weet hij al lang en hij weet ook al lang dat jij dat vindt."

Wie alleen maar dingen vertelt die de puber al weet, hoeft niet op echte aandacht te rekenen. „Kan ik gaan? M’n vrienden wachten.”

Martine Delfos pleit ervoor de hersens van de puber niet op ‘uit’ maar op ‘aan’ te zetten. „Ze willen denken, heel graag zelfs. Pubers reageren daar gretig op en je kunt dan diep in contact met elkaar raken. Als volwassene zijn we veel te vaak bezig ons eigen verhaal af te steken. Pubers vinden ook vaak dat ze behandeld worden alsof ze kleine kinderen zijn die niet kunnen denken. Ze vinden dat we te vaak ‘preken’.
Maar toch denken we – terecht – dat we iets te vertellen hebben aan een puber en maken we ons zorgen. We vinden het nodig om de adolescent te beschermen tegen de gevaren die hij door een gebrek aan kennis en ervaring over het hoofd ziet.

Om te zorgen dat de puber zijn leven goed kan leiden, moet de volwassene niet zijn kennis spuien, maar het denkproces van de jongere door middel van vragen begeleiden. Niets is meer verrijkend voor het eigen denken dan het te scherpen aan een puber, aan een adolescent.”
In het boek “Ik heb ook wat te vertellen!” beschrijft Delfos (psycholoog, therapeut en wetenschapper) verschillende soorten gesprekken en ook welke manier bij welke leeftijd past. Wie de uitdaging aangaat, zal inderdaad merken dat pubers iets te vertellen hebben!

Basisregels voor een goed gesprek

1. Wees ervan overtuigd dat de ander deskundig is over zichzelf
Barrières vallen weg als dit de praktijk is. Het spreken met leeftijdsgenoten verloopt meestal beter dan een gesprek met een volwassene, omdat leeftijdgenoten ervan uit gaan dat de ander deskundig is.

Een waar gebeurd verhaal van een kind van 3 jaar dat echt deskundig was over zichzelf maar niemand in zijn omgeving merkte dat op:
Een jongetje had een grote behoefte aan zout en stelde alles in het werk om zout te bemachtigen. Het kind likte het zout van crackers. Hoe de ouders het zout ook wegstopten, het kind klom, zocht en at het zout dat het vond. Op drieënhalfjarige leeftijd werd het kind opgenomen in het ziekenhuis en kreeg het standaard ziekenhuiseten met een normale hoeveelheid zout. Er werd geen gehoor gegeven aan zijn wens meer zout te eten. Binnen zeven dagen stierf hij. Het post-mortem-onderzoek wees uit dat het kind een afwijking had aan de bijnier (ziekte van Addison), waardoor hij uitwendig zout tot zich moest nemen om in leven te blijven. Het gebrek aan zout bleek de doodsoorzaak. Het kind had zichzelf tot aan het ziekenhuis in leven weten te houden door zout tot zich te nemen. De innerlijke wijsheid van zijn lichaam gaf hem het noodzakelijke gedrag in. Hij overleed aan de zogenaamde ‘deskundigheid’ van de mensen om hem heen.

2. Haal de deskundigheid van de ander naar buiten
Een volwassene kan een jongere zodanig bevragen, dat hij zich bewust wordt van zijn kennis en inzicht en daar ook de woorden voor krijgt. Zijn deskundigheid is immers niet altijd bewust aanwezig en hij kan zijn kennis en inzicht ook niet altijd direct onder woorden brengen. Door hem ernaar te vragen, maak je hem bewust van zijn kennis en inzicht en geef je hem er woorden voor. Je wilt toch dat hij zich bewust wordt van zijn doen en laten?

Uit dit voorbeeld wordt duidelijk hoe een pubermeisje door het beantwoorden van vragen er zelf achter komt waarom ze zich op een bepaalde manier gedraagt:
Irma vertelt dat er op de sportschool waar ze excessief sport een docente is die extreem dun is. Ze vermoedt dat zij ook anorexia heeft. Ze zegt, met verbazing in haar stem: „Die is zo dun. Dat wil ik ook!” De therapeut vraagt: „Waarom wil je dat, denk je?” Irma’s stem slaat over in verbazing en lichte paniek, bang als ze is om de waarheid te vertellen: „Omdat ik het mooi vind?” De therapeut stelt het ter discussie en reageert met: „Ik kan me dat niet voorstellen. Je bent zo smaakvol gekleed, hebt zo’n aandacht voor mooie dingen. Zou je dat echt mooi vinden als het zo skeletachtig is?” Als een kanonskogel komt Irma’s antwoord: „Nee, het ziet er afschuwelijk uit, maar als je zo dun bent, mag je alles eten.” Voor de therapeut is zelden zo duidelijk gemaakt hoe diep het verlangen naar eten is bij iemand met anorexia. Meisjes met anorexia willen dolgraag eten, maar een verbijsterende angst houdt hen in een wurggreep.

3. Stel liever vragen in plaats van te vertellen
Volwassenen hebben, zeker ten opzichte van pubers, het idee dat ze iets moeten uitleggen. Ze zijn met hun uitleg vaak langer aan het woord dan de puber, die antwoord geeft op de vraag van de volwassene. Als je een puber iets vraagt en doorvraagt op wat hij zegt, dan laat je zien dat je luistert, dat je wilt leren en dat je ervan uitgaat dat de ander iets te vertellen heeft. Zie het voorbeeld bij basisregel 4.

4. Laat ontdekken
Een goed gesprek is een wederzijdse ontdekkingstocht. Het begeleiden van je kind, zodat hij kan ontdekken, is een verdieping van de opvoeding. Het is alsof de volwassene begeleidt, bij de hand neemt, zonder precies te weten waar de weg toe leidt, maar in de stellige overtuiging dat het tot iets zal leiden wat zinnig is. Iets wat hij zelf heeft ontdekt, beklijft en heeft invloed op zijn doen en laten.

Dit voorbeeld laat zien hoe je een puber zelf iets kunt laten ontdekken. De volwassene legt niet uit hoe het zit, maar stelt vragen, waardoor de puber zelf tot een bepaald inzicht komt:
Meredith is drie jaar als het seksueel misbruik door haar vader begint. Het gaat door tot haar negentiende. Als ze bij de therapeut komt, is het nog niet gestopt. Schoorvoetend vertelt Meredith haar verhaal. „Het is mijn eigen schuld!” gooit ze er uitdagend achteraan. Weg is haar schroom als ze over haar schuld praat. De therapeut vraagt uitleg: „Jouw schuld?”
„Ja”, zegt Meredith, „het komt door dat jurkje met die rode noppen. Ik wist dat het me leuk stond. Ik lokte het uit bij mijn vader.” De therapeut: „Maar je bent dan zo jong. Dan kun je toch geen seks uitlokken?” Meredith antwoordt beslist: „Wel.” „Ken jij een meisje van drie jaar?” „Ja.” „Neem haar voor ogen en vertel me, kan zo’n meisje seks uitlokken met haar vader?” „Nee”, antwoordt Meredith, „maar ik wel.”
De therapeut is verrast. Hoewel Meredith het inzicht heeft, kan ze het niet op zichzelf toepassen. De therapeut realiseert zich dat de schuld bij Meredith een beschermende functie heeft en probeert die niet langer weg te halen, maar te ontdekken wat die is.
„Je zegt dat je het uitlokte door het mooie jurkje. Deed hij het altijd als je dat jurkje aanhad?” Meredith is even van haar stuk gebracht. „Nee”, zegt ze aarzelend. „Wanneer gebeurde het dan?” Bijna hardop pratend, in zichzelf gekeerd, zegt Meredith: „Als hij dronken is.” Ze kijkt op. Dit had ze nog nooit onder woorden gebracht.
Langzaamaan ontdekt ze de omstandigheden waaronder zij steeds misbruikt werd. En omdat ze dat ontdekt, wordt haar greep op de situatie groter en haar schuldgevoel kleiner. Het misbruik is na het eerste gesprek niet meer voorgekomen.

Basishouding voor een goed gesprek
1. respect
2. warmte
3. bescheidenheid

N.a.v. “Ik heb ook wat te vertellen! Communiceren met pubers en adolescenten”, door Martine F. Delfos

Tekst: Margreet van den Berg-van Brenk

Terdege

Terdege is een reformatorisch familieblad waarin ook over opvoeding wordt geschreven.