Bidden op verschillende leeftijden

Leren geloven begint met leren vertrouwen

0-4

Geloofsopvoeding begint met het liefdevol verzorgen van de baby die je hebt gekregen. Door je kind eten te geven, te verschonen en te knuffelen, leert een kind vertrouwen. Het ervaart: ik word niet aan mijn lot overgelaten als ik hulp nodig heb! Begin gelijk met bidden en zingen voor je kind.

Een peuter kan al iets ervaren van God als papa en mama bidden. Al kan bidden voor sommige peuters ook iets vreemds hebben, omdat de anderen de ogen sluiten en even onbereikbaar lijken te zijn. Zingen kan peuters gevoelens geven van blijdschap en gemeenschap.

Een driejarige hoort over God, maar ziet hem niet en vraagt zich af: Waar is God? Als je merkt dat je kind dat moeilijk vindt, probeer het dan uit te leggen en concreet te maken. Neem hem serieus, maar verwacht niet dat hij al kan vatten hoe het zit.

4-6

Een kleuter leeft vooral op zijn gevoel. Hij heeft weinig kennis en ervaring en kan geen verbanden leggen of conclusies trekken.

Het maakt indruk op de kleuter als hij merkt dat God aanwezig is, bijvoorbeeld wanneer zijn angst verdwijnt als er met hem wordt gebeden.

Het zingen is voor kleuters erg belangrijk. Door middel van liederen leren ze meer over God: Hij woont in de hemel, maar is ook vlak bij ons; God is een Vader; God heeft de wereld lief.

Het besef dat God bestaat, is al enigszins ontwikkeld en daardoor kan het kind zelf iets vertellen of vragen aan de Heere God.

Schuldgevoel is een kleuter vreemd. Het kind doet iets wel of niet, omdat een ander hem heeft verteld dat hij dat wel of niet moet doen. Het kind heeft nog geen innerlijke overtuiging van wat goed of fout is.

6-9

Het kind denkt nog steeds heel concreet. Woorden als gerechtigheid en verlossing zeggen hem niets. Het begrip van tijd en ruimte moet ook nog tot ontwikkeling komen. In deze fase is het belangrijk om kinderen de regels van God te leren, zoals niet stelen, niet liegen, niet gemeen doen, ouders gehoorzamen.

In deze periode ontwikkelt het geweten zich en daarmee het schuldbesef. Ze snappen dat ze soms iets fout doen. Het werk van de Heere Jezus (schuld wegdoen) kan dan ook meer betekenis krijgen.

9-12

Abstracte begrippen kunnen worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld. Wat het kind in deze periode leert, onthoudt het vaak zijn hele leven. Het samen zingen, bidden, Bijbel lezen en feesten vieren blijft belangrijk.

In deze periode gaan kinderen de samenhang zien tussen geloven en doen. Het voorbeeld van de ouders en de praktijk van het gemeenteleven hebben grote invloed.

12-18

Door de overgang van het concrete naar het abstracte denken, komen er vragen. Wie ben ik? Hoe zien anderen mij en hoe ziet God mij? Waarom is er ziekte en dood? Na de periode van het onderzoeken, komt het vormen van de eigen mening. De jongeren willen van ouders argumenten horen en kijken of de woorden van de ouders overeenkomen met de daden. In deze periode is er ook vaak twijfel en verwarring. Vervolgens komt de tijd waarin de jongere zijn mening toetst aan de argumenten van anderen en kijkt of ze in de praktijk werken.

Margreet van den Berg-van Brenk

Meer weten? Lees het boek 'Geloven in opvoeden' van Stichting Loek.

Geloof in het gezin

Geloof in het gezin wil ouders en kerken inspireren en ondersteunen bij de christelijke opvoeding. Het LCJ en de CGJO zetten zich daarvoor in en schrijven voor deze website artikelen, blogs en materialen.