Kuddegedrag in de klas

30 augustus
Terdege
Aan ouders van pubers hoef je niet te vragen hoe belangrijk het voor hun kinderen is om bij de groep te horen. Ze doen er alles voor, want het ergste wat je kan overkomen, is buiten de groep vallen. Omdat je foute schoenen draagt, je altijd netjes je huiswerk maakt of net even anders denkt.

Ouders staan wat groepsvorming betreft aan de zijlijn, zou je denken. Maya Bakker, een ‘groepenmens’ bij uitstek, denkt daar anders over. Ze reageert op een paar stellingen en praktijkvoorbeelden.

Stelling 1. De invloed van ouders op de groep op school is klein.
„Niet mee eens. Ouders vervullen een prominente rol. Dat is bij veel scholen voor voortgezet onderwijs onderbelicht. Op sommige scholen is er aan het begin van het schooljaar een informatieavond. Na een algemene inleiding gaan de mentoren met de ouders van hun klas naar een lokaal. De mentor legt uit hoe het in de klas toegaat en geeft ouders inzicht in het proces van groepsvorming. Op het bord tekent hij een driehoek. In de bovenste punt staat ”kind”, onderin ”school” en ”ouders”.

Op elk van die drie lijnen kan spanning komen. Als er thuis spanningen zijn, is dit op school natuurlijk merkbaar. Het omgekeerde is ook waar.
Hoe reageer je als je puber hevig verontwaardigd uit school komt? Ga je achter je kind staan en word je ook boos op de leerkracht? Of neem je het, ongeacht wat er is gebeurd, juist op voor de leerkracht?
Geen van beide. Neem gewoon contact op met de desbetreffende docent. Niet om hem aan te vallen en ook niet om samen tegen het kind te zijn, maar om er als docent én ouder voor het kind te zijn. Zo’n samenwerking werpt vruchten af.
Als je uitlegt hoe een groep zich vormt, bereid je ouders er ook op voor dat het best kan gebeuren dat ze een keer gebeld worden door een docent en te horen krijgen dat hun kind anderen pest. Je zegt er dan bij: „Wat zou het dan jammer zijn als u zou zeggen: Dat doet die van mij niet. Of dat u boos wordt.” We bellen omdat we graag samen met u als ouders het probleem willen oplossen. Zonder contact met ouders redden scholen het niet. Dan is het heel goed als ouders weten dat een kind in een groep heel ander gedrag kan vertonen dan wanneer hij alleen is.”

Stelling 2. De invloed die de vriendengroep op pubers heeft, is moeilijk te overschatten.
„Ja, die invloed is enorm groot en constant aanwezig. Kuddegedrag is ons mensen eigen. Dat heeft het experiment van Asch ons voldoende bewezen (zie kader). Dat geldt voor alle lagen van de bevolking. Maar bij pubers is die invloed het allergrootst. Ze zoeken naar het eigen ik en vinden het erg belangrijk om onderdeel van een groep te zijn.”

Stelling 3. Het is als ouders belangrijk te weten welke plek je kind in de groep op school heeft.
„Met name de vraag of hij bij de groep hoort, lijkt me van belang. Valt hij er niet buiten? Ik raad mentoren aan één keer in de vijf, zes weken te checken hoe het met de groep gaat. Ook ouders kunnen met hun kinderen op z’n minst iedere twee weken in gesprek gaan over hoe het in de klas gaat.”

Stelling 4. Wie op de basisschool buiten de groep viel, moet het ergste vrezen voor de middelbare school.
„Er zijn kinderen die kwetsbaarder zijn dan anderen en voor wie dat geldt. Toch zie je kinderen soms ook een omslag maken. Het komt regelmatig voor dat kinderen die zelf zijn gepest op de middelbare school, anderen gaan pesten. Ze doen dat uit lijfsbehoud, uit angst dus. Als zij niet pesten, zijn ze bang zelf weer het slachtoffer te worden. Een docent moet dan flink inzetten op een positieve groepsvorming, waardoor pestgedrag veel minder voet aan de grond krijgt.”

Stelling 5. Adviseer je kind nooit om tegen een leider van een groep in te gaan.
„Iedereen moet op school zijn zienswijze kunnen laten horen. Maar weet je wat verrassend is? De echte leiders van de groep zijn niet de schreeuwers met de grootste mond. Vaak zijn het onopvallende, sociaal sterke en onafhankelijke leerlingen. Vraag maar eens aan de jongeren of ze een top drie willen maken van klasgenoten met wie ze graag samenwerken.
De schreeuwers zitten daar dan niet bij, want ten diepste zijn de meesten bang voor hen. De onopvallende leiders zijn hulpbronnen die een docent moet mobiliseren als hij veranderingen in de klas wil bewerkstelligen. Bij een negatieve leider is het goed om je af te vragen wat hij met dit gedrag moet compenseren. Zijn slechte resultaten? Zijn moeilijke thuissituatie?
Vrijwel altijd constateren we achter negatief gedrag een verhaal. Kinderen die pesten, zitten vaak zelf in de nesten.”

Stelling 6. Als de hele groep van x houdt en je kind houdt helemaal niet van x, maar van y, dan heeft hij een probleem.
„Nee, dat hoeft niet. Dat hangt van de begeleiding van de groep af. De groep moet leren dat iedereen anders is en anders mag zijn. Met de ontwikkelingen rond passend onderwijs krijgen we daar nog veel meer mee te maken. Een kind met een stoornis in het autistisch spectrum, bijvoorbeeld, wordt vreemd gevonden. Hij kan daarom snel het mikpunt van plagerijen worden. Daarvoor zijn oefeningen beschikbaar in mijn handboek over groepsvorming. Je kunt de leerlingen leren waarin zij uniek zijn, maar ook: welke gebruiksaanwijzing heb je?
Leerlingen met een stoornis in het autistisch spectrum vormen een risicogroep, voor wie je als mentor veel kunt betekenen. Als je een nieuwe groep onder je hoede krijgt en je ziet in het dossier dat Pierre het syndroom van Asperger heeft, dan kun je aan de ouders vragen of je de klas in vertrouwen mag nemen. Dat vinden veel ouders eng. Met Pierre overleg je of hij erbij wil zijn of niet. De meesten kiezen voor afwezig zijn. Tegen de groep zeg je dan: „Jullie zien dat Pierre er nu even niet is. Weet je wat ik hem zou gunnen? Dat hij zijn armen en benen op twee plaatsen breekt.” Dan hangen ze aan je lippen.
„Hoe bedoelt u dat?” beginnen ze dan te vragen. „Nou, dan gaat hij volledig in het gips. Hij blijft natuurlijk niet zes weken thuis zitten, dus hij komt in een rolstoel naar school. We zullen met z’n allen moeten zorgen dat hij van A naar B komt en z’n huiswerk kan hij ook niet zelf opschrijven, dus daar moeten we hem ook bij helpen.
Na zes weken is Pierre er weer van af. Gelukkig heeft Pierre niets gebroken. Maar weet je, Pierre heeft onze hulp op een heel andere manier nodig. Hij is overstuur als er een les uitvalt. Hij kan zijn huiswerk niet zo snel opschrijven. Hij snapt onze taal vaak niet en weet dus vaak niet wat er van hem wordt verwacht. Hij is superintelligent, maar met sommige dingen heeft hij dus moeite. Willen jullie mij helpen om het voor Pierre goed te laten verlopen? Ik heb het jaar in blokjes van drie weken geknipt. Per blok heb ik twee kinderen nodig die hem gaan helpen.”
Na een periode van drie weken roep je die kinderen en Pierre bij je en bedank je de leerlingen hartelijk voor hun inzet. Dan zijn de volgende aan de beurt. Voor Pierre is dat een moeilijk moment, want hij moet omschakelen. De leerlingen doen het vaak niet eens in de eerste plaats voor Pierre, maar voor de leerkracht. Als je het als docent niet zelf regelt, heb je kans dat het niet gebeurt of dat het op de schouders van een of twee zorgzame leerlingen terechtkomt, maar die houden dat ook niet een heel jaar vol.”

Maya Bakker
Bekendheid geniet Maya Bakker vooral door de handboeken die ze schreef: ”Handboek positieve groepsvorming” en ”Handboek voor elke mentor”. Vanuit haar eigen trainings- en onderwijsadviesbureau Salto ondersteunt ze scholen op allerlei terreinen. Maya Bakker werkte meer dan 25 jaar op een christelijke school voor voortgezet onderwijs. Eerst als docente Nederlands, later als conrector. Ze was ook remedial teacher, faalangst- en examenvreestrainer en vertrouwenspersoon. Verder volgde ze de opleiding contextuele hulpverlening. Nu is ze als opleider verbonden aan de opleiding contextuele leerlingbegeleiding.

Experiment van Asch
Een groep studenten krijgt twee bladen te zien. Op het ene staan drie lijnen van verschillende lengtes, op het andere staat één lijn. Nu moeten ze één voor één zeggen welke van de drie lijnen even lang is als de ene. Een kind zou het goede antwoord kunnen geven. De acteurs die als student meespelen, zeggen echter ieder hetzelfde foute antwoord. De proefpersoon zegt in de eerste ronde nog wat hij echt denkt en geeft dan het goede antwoord.
Vanaf de tweede ronde zegt hij niet meer wat hij zelf denkt, maar geeft hij hetzelfde foute antwoord als de acteurs. En dat terwijl hij heel goed weet dat wat hij zegt niet klopt. Tachtig tot negentig procent van de mensen past zich aan als de groep iets anders beweert dan wat zij zelf denken.

Praktijkvoorbeeld 1
Jurgen (15) wil stoppen met roken. Zijn opa is pas aan longkanker overleden. Maar zijn hele vriendengroep rookt en verklaart hem voor gek.
„Dat is een lastige situatie voor Jurgen. De ouders kunnen hem vragen wat hij denkt dat er gebeurt als hij echt zou stoppen met roken. Wil hij nog wel bij die vriendengroep horen, als ze hem daarom zouden laten vallen? En vraag hem ook eens wat hij doet als al zijn vrienden van een viaduct springen. Springt hij ze dan achterna? Help hem om zijn gezonde verstand te laten gebruiken. Je kunt het geld dat hij uitspaart in een potje stoppen en dat bijvoorbeeld aanvullen.”

Praktijkvoorbeeld 2
Bianca (13) loopt alleen maar achter het leukste meisje van de klas aan, als een soort slaaf. Ze is bang dat, als ze dat niet doet, ze gepest gaat worden. Ze doet nu zelfs wel eens mee aan pesterijen, omdat het gevierde meisje dat van haar verwacht. Bianca zelf heeft er geen moeite mee, want ze telt nu mee in de groep. Haar ouders maken zich zorgen.
„Deze ouders maken zich terecht zorgen. Dit gedrag komt erg veel voor. Bianca zoekt haar eigen veiligheid. Het is belangrijk dat Bianca’s ouders hun zorgen delen op school. Misschien is het daar nog niet opgevallen. Ouders horen en zien andere dingen dan leerkrachten.”

Praktijkvoorbeeld 3
Groep 8 bestaat uit allemaal kleine groepjes die onderling behoorlijk rivaliseren. Mirjam vindt dat vreselijk, want die houdt graag iedereen te vriend, maar dat lijkt in deze groep onmogelijk.
„Het probleem is dat deze groep is blijven hangen in de fase van de ”storming”, de strijd om de macht. Die lijkt op de formatie van het kippenhok. Is er één positieve haan in de groep, dan is er niks aan de hand. Zijn er meer hanen in het hok en verzamelen die allemaal een groep om zich heen, dan is dat het hele jaar door geruzie onderling. Mirjam kan daar niets aan doen. Ze wordt er erg ongelukkig van. De ouders van Mirjam moeten met school gaan bespreken hoe die de groepsvorming positief kan beïnvloeden. Het proces moet ook echt daar doorbroken worden.”


Tekst: Margreet van den Berg - van Brenk

Terdege

Terdege is een reformatorisch familieblad waarin ook over opvoeding wordt geschreven.

Tags
Relatie school
Groepsdruk
Groepsvorming
Dagelijks leven
0-3 jaar
4-7 jaar
8-12 jaar
13-16 jaar
Literatuurtip
Geloven in opvoeden

Het boek geeft ouders adviezen en vaardigheden mee die hen helpen weer in hun opvoeding te gaan geloven. En ouders worden toegerust om gestalte te geven aan de geloofsopvoeding in het gezin.

In het werkboek dat erbij aangeschaft kan worden, staan vragen en werkvormen om mee aan de slag te gaan.

Elke dag nieuw

Het werk van een moeder lijkt misschien niet zo opzienbarend, maar heeft waarde voor de eeuwigheid. In dit boek neemt de auteur je mee door de Bijbel, op zoek naar Gods roeping voor moeders vandaag en de verwachting die er is in Hem.

Uit het leven van Eva leer je over je roeping in je huwelijk. Uit het leven van Jochebed leer je over je roeping in je gezin. Uit de geschiedenis van Martha en Maria leer je over je roeping in je huis.

Je leest ook de ervaringen van zeven gewone moeders van vandaag. Je ontdekt gaandeweg dat moederschap in al zijn facetten net tuinieren is. Je hebt een roeping te vervullen, waarin je van het begin tot het einde afhankelijk bent van de zegen van de Heere. En Zijn trouw is elke dag nieuw!


Bij alle hoofdstukken van het boek 'Elke Dag Nieuw' is bonusmateriaal te downloaden op www.elkedagnieuw.nl.

Je baby verzorgen is ook opvoeden

Allerlei aspecten van het opvoeden van een baby komen in dit boek aan de orde. Makkelijk leesbaar en veel aandacht voor de praktijk van alledag. Goed te gebruiken voor een opvoedkring door de suggesties voor Bijbelstudies, gespreksvragen en werkvormen achter in het boek. Geschreven door drs. Aline Hoogenboom en dr. Joop Stolk. Dit is het eerste deel in de serie Handboek christelijke opvoeding.

Hoofdstuk 1 van Je baby verzorgen is ook opvoeden